Ik was tweeëntwintig en krijgsgevangene

Grauw en bleek. Het werkvolk op de trein is uitgemergeld. Hun huid doorschijnend en verschrompeld, doortrokken van de vuiligheid. De mannen lijken op elkaar en herbergen dezelfde verhalen. In de hal van het station slaat de klok zeven. De trein richting Oostende vertrekt. Man en vrouw huilen om wat komt en tegelijk niet meer is. Een verloren strijd die nog niet is gestreden. ‘In de bocht naar huis zag ik mijn moeder en riep: “Ik ben het!”, maar ze herkende me niet.’

Met zijn 95 jaar kunnen de rimpels en groeven in zijn gelaat nog altijd niet tippen aan de diepte en kwetsbaarheid van zijn verhaal. Vooral zijn ogen spreken en herbergen licht en donkerte. Over de meest pijnlijke herinneringen gaat hij vluchtig heen, maar de kleine menselijke dingen puurt hij uit tot in de fijnste details. Het is alsof de geluiden in het rusthuis zijn verhaal over de ergste maanden van zijn leven begeleiden. De televisie van zijn buurman klinkt als droevige muziek door de dikke muur heen en voetstappen van verpleegsters op de gang zwellen aan en verstommen dan weer.

‘Buiten op het erf stond een grote, met water gevulde melkkruik. Zonder iets te eten werden we met een dertigtal in een geblindeerde bus geduwd. Waar ze ons heen brachten, wisten we niet. Door de ramen zagen we geen steek. Om kwart over drie in de ochtend, in een kleine gemeente vlak bij een huis dat ooit een restaurant was, kwam de bus tot stilstand. We mochten er een paar uur slapen. Het was negen uur toen de Duitse wachten ons naar buiten leidden en ons in rijen opstelden. De zon weerkaatste fel op de witte muur en zweetdruppeltjes parelden op lijf en leden. Verzwakt van de reis en de honger konden we nog nauwelijks rechtop staan. Van overal uit de streek kwamen boeren die ons keurden en kochten als beesten. De grote en sterke jongens gingen eerst, ik en een boerenzoon uit Aarsele gingen als laatsten. We waren allebei niet groot van gestalte, maar onze schaduwen waren gevaarlijk lang en bleven in hun volharding het langst afgetekend op de witgekalkte muur. Toen iedereen al vertrokken was, kwam een boer op zijn sjees aangereden. Hij foeterde en kafferde de soldaten uit en riep dat ze te vlug verkocht hadden. Met ons was hij niets, zei hij. Er waren twee opties: ofwel nam de boer ons mee naar zijn boerderij, ofwel werden we teruggestuurd naar het kamp.’

‘We moesten onze kraag gladstrijken, ons hemd in onze broek steken en in de pas marcheren’

‘Alles begon in de lente van 1940 in Menen, een Vlaams dorp aan de Franse grens. Ik deed er mijn militaire dienst in een Franstalige compagnie, de klas van het jaar ’37. Drie soorten regimenten waren toen actief: ’37, ’38 en ’39. Ook de klas van ’40 werd opgeroepen, maar zij trokken naar Zuid-Frankrijk. Het was vrijdag 25 mei toen mijn kameraad gewond raakte door een mitrailleur. Ik probeerde hem in huis te slepen, maar onze compagnie was omsingeld. Duitsers. Ik moest me overgeven. We werden allemaal opgepakt en in groepen verdeeld. Begeleid door wachten gingen we met een man of twaalf een wei door en zo verder naar beneden. Bij een boerderij in een klein dorpje, waarvan ik me de naam niet meer herinner, hielden we halt. Twee wachten openden de twee zware deuren van de aanpalende schuur en dwongen ons naar binnen te gaan. De schuur was gevuld met hooi en stro en langs een ladder klommen we naar de hooizolder. De deuren bleven open.

‘Het moet een tijd later geweest zijn dat Duitse soldaten twee zwaargewonde Ardeense Jagers van het Franse regime, ook wel de cyclisten genoemd, voor de poort sleepten. Vrouwen in de boerderij keken door de gordijnen heen en konden hun tranen nauwelijks bedwingen. Een boer die de gewonden wat te drinken wilde brengen, kreeg van de officier een ferme schop in de zij. De hele nacht lagen de Franse soldaten buiten in het stof, op de harde ondergrond en ’s morgens vonden we hen dood. Te voet gingen we verder, onze gewonde kameraad nog steeds bij ons. Aan de grens, in Maastricht, was er controle van de gekwetsten en onze gewonde werd afgevoerd naar een hospitaal en later naar huis gestuurd. We marcheerden verder tot in het kleine dorpje Jabeek, gelegen aan de Nederlands-Duitse grens. De Duitsers vierden er feest, waarschijnlijk om de overwinning te vieren. We moesten onze kraag gladstrijken, ons hemd strak in onze broek steken en in de pas marcheren, vier man naast elkaar. Het volk in de tribune schreeuwde: “Whoo whooo!”. Langs de weg stonden kinderen van een jaar of tien, allemaal in uniform en met een dolk aan hun zij. Kinderen van de Hitlerjugend. Aan het station werden we op een trein geduwd met in elke wagon een zestig man. De deuren sloten achter ons. Door kleine raampjes, kiertjes bijna, konden we de lucht zien die gevuld was met zeppelins.’

Een met prikkeldraad ommuurde ‘gevangenis’

‘Hoe lang we precies reden, kan ik niet zeggen. Het was middag van de volgende dag toen we in het station van Bremervörde aankwamen. Daarna was het nog een goede tien kilometer stappen door bossen en veengebied tot in het kamp Sandbostel, afgesloten door prikkeldraad. Bij aankomst werden we uitgejouwd en begeleid door geluidsalvo’s als: “Awoooo!” en “Hang ze op!”. We werden geteld en in tenten verdeeld. De grond was ons matje om op te slapen. De eerste die ik in het kamp zag, was een ver familielid. “Wat doe jij hier?”, vroeg ik. “En jij?”, vroeg hij. “Het eten is hier vreselijk, je krijgt hier niet veel”, fluisterde hij. In mijn broekzak had ik nog een doosje pilchards zitten die ik onderweg had gestolen. Joost was zijn naam en hij bracht het gesloten blik naar de keuken. Met een glimlach en een geopend blik kwam hij terug. Het deksel van het blik had hij voorzichtig opgetild en schoongemaakt. We kraakten het vlijmscherpe metaal in tweeën en staken het in onze zakken.

‘Ons ontbijt bestond uit een Duits, vierkantig brood, dat verre van vers was en waar we met tien van aten. Eén man was verantwoordelijk voor het snijden en het verdelen van het brood. We kregen een boterham van een paar centimeter, met een beetje suiker of de nodige confituur erop. Op een dag sloop ik naar de keuken en keek rond of ik niemand zag. Een man uit Polen kwam met een lege emmer naar buiten. Ik fluisterde: “co zrobic tu ty?” (“Wat doe jij hier?”). Hij keek om en ik vroeg: “masz kanapkę?” (“Heb je een boterham ?”). “Tak”, zei de man en wees naar het oude horloge aan mijn hemd. Ik had het ooit van mijn broer gekregen en ruilde het nu voor twee boterhammen. Een andere keer stal ik oude vis uit een emmer, die we tussen twee tenten in opaten. Het was allemaal zand, maar we hadden tenminste gegeten.

‘En dan waren er nog de vele onderzoeken die we elke dag moesten ondergaan. Ons haar werd afgeschoren, er werd gekeken of we luizen hadden en Franse krijgsgevangenen werden gedwongen ons injecties te geven. Er was een dag dat ik er drie in een keer kreeg: één net boven de borst, één er net onder en één in de rug. Niemand wist waarom we ze kregen en wat de gevolgen ervan waren.’

Was kann der verfluchten Belgier?’

‘Op een dag, na ongeveer vier weken in het kamp, werden we zonder eten meegevoerd in een geblindeerde bus. Bij een hofstee met voormalig restaurant werden we afgezet. Boeren zouden ons komen halen om op het land te werken. Ik en nog een andere jongeman bleven als enigen achter. “Was kann der verfluchten Belgier?”, riep een boer die te laat kwam. Een zin die we nog meermaals zouden horen, want hij was het die ons uiteindelijk meenam. Hij reed op zijn sjees, wij volgden hem te voet en dat zes kilometer lang. We hadden al dagen niets meer gegeten maar ook bij aankomst kregen we niets. Onmiddellijk werden we aan het werk gezet. Hagen snoeien, de stallen uitmesten, de kalveren voederen, het hooi opbinden, de kolen afsnijden. ’s Avonds moesten we dezelfde zes kilometer terug afleggen, naar het huis van dat restaurant. We werden er bewaakt door vier wachten. Elke dag opnieuw moesten we aufstehen om 3u15, werden we naar de wei geleid waar we ons konden wassen aan een drinkbak van de koeien en marcheerden we in een lange rij naar de boerderij. Wie aan zijn erf kwam, mocht afslaan. Passeerden we mensen dan mochten we hen niet groeten.

‘Op een van onze tochten, op weg naar de boerderij, keek een vrouw uit het raam. Een van ons, zijn naam was Coppens, keek naar de vrouw en lachte. Een Duitser zag dat alles gebeuren en ondervroeg de jonge vrouw. “Ik keek naar die floche”, zei de vrouw. Na dit voorval moesten alle flochen van onze mutsen verwijderd worden. Het Verdrag van Genève zegt nochtans dat uniformen van gevangen militairen niet geschonden mogen worden door de vijand. We stonden in vier rijen, twee aan twee. De Feldwebel was dronken en trok onze flochen er één voor één af. Toen hij voor me stond, zei ik “godverdomme”, pakte mijn muts en trok de magnifieke floche er zelf af. Ik kreeg een harde klap in het gezicht, was zo kwaad en vernederd dat ik bijna op de Feldwebel sprong. De man achter me, een infirmier uit Izegem, kon me tegenhouden. Chance.

‘In gedachten verzonken, zag ik de boerin niet binnenkomen. De tranen kwamen in mijn ogen als ik aan vrouw en kind dacht. Ik had nog niets van hen gehoord. De boerin werd kwaad en riep dat ik niet te klagen had en bij hen nog goed af was. Het was oktober toen ik van mijn vrouw eindelijk een pakje kreeg, weliswaar al geopend en van zijn meeste inhoud ontdaan, maar het was toch iets. Achteraf heb ik van mijn vrouw vernomen dat er een foto in zat van ons kindje, een foto die ik nooit te zien zou krijgen. Met een stompje potlood schreef ik lieve woorden neer. Geen klaagzang maar wel zinnen als: “Het is hier goed, we werken op een mooie boerderij en er zitten veel paarden.” Allemaal leugens. Bovendien werden onze brieven gecensureerd. Later zei mijn vrouw dikwijls: “Dacht je nu echt dat ik niet zag dat je aan het liegen was?”’

‘Ik woog nog amper vijftig kilo’

‘Het werd winter. Onze sokken waren al lang versleten en van de mouwen van een oude trui, ooit gestolen van de boerin, maakte ik nieuwe. We waren al verscheidene keren op een bus gezet met het voorwendsel huiswaarts te keren, maar telkens opnieuw was er weer die boerderij. Tot de dag dat we niet moesten werken en een bus ons kwam halen. Geen boerderij dit keer, wel opnieuw het gruwelijke kamp Sandbostel. Opnieuw die vreselijke onderzoeken, opnieuw die vernederende commando’s en de met prikkeldraad ommuurde gevangenis.

‘We waren vier weken in het kamp toen het gerucht de ronde deed dat we naar huis zouden vertrekken. De bussen stonden klaar. Een Belgisch verpleger, een katholiek priester met een rood kruisje op zijn borstzak gestikt, nodigde ons uit om de mis bij te wonen. Het was al zo lang geleden dat we dat nog eens mochten. “Ik ga niet”, fluisterde ik tegen mijn kameraad. “Straks mis ik nog de bus naar huis.” En het kwaad geschiedde. Toen we in de bus geloodst werden, zaten de anderen nog in de barakken de mis bij te wonen. De bus vertrok en zij die achterbleven, zouden daar nog twee maanden blijven.

‘We kwamen aan in Antwerpen, na een dag of twee rijden met de trein. Wie niet naar huis kon, werd opgepikt en naar een ziekenhuis gebracht in de buurt. Ik kreeg er een goede nacht. Om zeven uur ’s morgens kon ik de trein nemen naar Oostende. Die zat vol met werkvolk, mannen zoals ik. Mensen weenden toen ze ons zagen. We waren vuil en mager, ik woog nog amper vijftig kilo. Ik haalde de fiets van mijn zus om niet meer te hoeven wachten op de trein. Mijn moeder had horen zeggen dat er krijgsgevangenen zaten op de trein naar Gistel en wilde net gaan kijken toen ik de bocht nam naar ons huis. Ik riep: “Moeder, ik ben het!”, maar ze herkende me niet. Ik trok aan haar jas en zei: “Kijk nog eens goed.” Ze weende.’

 

‘Een ziekenhuisclown moet een zekere tristesse in zich hebben’

De zon schijnt fel op de ruiten. De anders zo verscholen strepen en tekeningen op het matte glas komen nu tot leven. Gordijnen met kleurrijke giraffen en apen versierd, kunnen de kamers in duisternis hullen. Het spel van licht en donker is hier niet vreemd. Een glimlach en een traan vloeien er samen. Zachte accordeonmuziek, begeleid door een bolletje dat heen en weer wipt in de huls van de bellenblazer, vergezellen de twee vreemde silhouetten op de gang.

‘Zou Andreas er vandaag zijn?’ De vraag hangt in de lucht en zegt meteen iets over de persoon die ze stelt. Saartje Van Houtte (23) en haar compagnon Steven Verbeke (33) laten het mooie weer even voor wat het is en begeven zich gepakt en gezakt naar de eerste verdieping, afdeling kindheelkunde of pediatrie van het Heilig Hartziekenhuis in Roeselare. De linnenkamer, een smal gangetje met aan de zijkant rekken volgestouwd met kinderonderlakens, kinderbovenlakens en handdoekjes, moet de kleedkamer voorstellen van de twee clowns. Een kleine lavabo, een spiegel en bijbehorende wc maken deel uit van het meubilair. Aan een haakje hangt een rood plastic tasje waar kwastjes, kleurtjes en sponsjes uitpuilen. Op het boordje van de maquillagewastafel ligt het vol doekjes, bevlekt en onbevlekt. Alles ligt klaar. Nu rest enkel nog de overdracht, een gesprek met een verpleegster of kinderbegeleidster. Een lange waslijst namen van kinderen volgt en de belangrijkste zaken die een ziekenhuisclown moet weten, worden besproken: wie de kinderen zijn en waarom ze hier liggen. ‘In het bureau komen we pas te weten hoeveel patiëntjes we kunnen bezoeken’, vertelt Saartje.

‘Clown zijn kan zonder woorden’

Stilletjes, met zigzaggende tred, komen de clowns Öscr en Sarewiedie uit hun hoekje. Ze zijn slechts een paar ramen gepasseerd of een verpleegster tikt op het glas en geeft een teken. Geschreeuw en geween, een lichte paniek. Een mondje valt open en stopt abrupt met wenen als grote en kleine clownsvoeten de kamer binnenwandelen. Fien (6) zit op de schoot van haar papa en staart de clowns verwonderd aan. Ze ziet een zachtroze ronde neus en ogen omringd met fijne witte streepjes, sober afgewerkt met een tintje rood, een broek die lijkt op een hemelrijk voor de sterren en belletjes aan vreemde, witte schoenen. Ook de zus van de grote clown krijgt een kijkbeurt van kop tot teen: opnieuw die vreemde neus, bizarre dotten in het blonde haar, een jasje dat wel met goud lijkt belegd, een pofbroek en groene bebloemde schoenen. Wat het meisje nog het meest fascineert, zijn het koffertje en het valiesje. ‘Wat zit erin?’, vraagt ze en wijst in de richting van het bruine ding. Even is Fien de draadjes op haar hoofd en de verpleegsters vergeten. Ze heeft alleen nog oog voor dat balletje dat verdwijnt en even later weer verschijnt in een of andere zak van de clown.

‘Saartje, we moeten nog eens proberen zonder woorden’, zegt Steven in een lege kamer waar ze even kunnen overleggen. ‘De poëzie van een clown komt veel meer tot uiting zonder woorden. Beeld en klank zorgen dan voor een versterking van het verhaal’, legt hij uit. ‘Kinderen maken veel makkelijker deel uit van dat verhaal als de mimiek spreekt. Welke sfeer hangt in de kamer? Is het kind stil van schrik of van verwondering?’

Mamabazooka

Amai, jullie zijn raar’, zegt Tine (9) verontwaardigd nadat ze verwoede pogingen heeft gedaan de clowns uit te leggen dat het haakje boven haar bed geen kapstok is maar een haakje voor een sonde. ‘Nee, nee!’, roept Tine als Sarewiedie er haar sok en schoen aanhangt.

Clown Öscr wordt zot als er weer een mamabazooka in de kamer zit. Een verpleegster, ouder of grootouder die dicteert aan het kind wat het doen en zeggen moet, vaak in naam van de clown. ‘De clown zegt dat je veel moet drinken. Toon eens met je vingertjes aan de clown hoe oud je bent. De clown zegt dat je niet meer mag huilen. De clown zegt dit, de clown zegt dat’, murmelt Steven met een piepstemmetje. ‘Goed om voor je hele leven nooit meer een clown te willen zien.’

Tibo heeft de nee-ziekte. De clowns doen er alles aan het jongentje te genezen van zijn ernstige ziekte maar het lijkt steeds erger te worden. Plots heeft Sarewiedie een grandioos idee. Ze vraagt Tibo (8): ‘Vind je mij mooi?’ Opnieuw ‘nee’. ‘Mijn haar dan?’, probeert ze, haar glimlach al wat minder in een boogje. ‘Nee.’ ‘Oké, nu heb ik het gevonden’, zegt de vrouwelijke clown. Sarewiedie zet zich schrap en vraagt: ‘Wil je met me trouwen?’

Door de aderen van de ziekenhuisclowns stroomt nog een tikkeltje circusbloed. Dat kleine levensgrote momentje voor een kind dat in het ziekenhuis ligt, is niet iets van eeuwen. We schrijven 1987. Alles begon met professor Mickael Katz, hoofd van een kinderziekenhuis in New York, die enkele bevriende clowns van het Big Apple Circus uitnodigde voor een bezoek aan zijn ziekenhuis. De bezoekjes van de clowns waren meer dan ogenblikjes vol humor, ze deden ook iets met de genezing van het kind. Vijf jaar later werden de ziekenhuisclowns in België een vast gegeven. Marie-Paule Neyt duwde de vzw Ziekenhuisclowns in gang. Vandaag worden Saartje en Steven drie keer per week Öscr en Sarrewiedie en gaan langs bij vijf verschillende ziekenhuizen. Het Stedelijk Ziekenhuis en het Heilig Hartziekenhuis van Roeselare, AZ Sint-Lucas en Sint-Jan in Brugge en het ziekenhuis van Tielt.

‘Een clown word je niet, dat ben je’

Wie denkt dat de passages van de clowns rumoerig zijn, heeft het mis. De sfeer is niet die van een luidruchtige circuspiste maar van een ziekenhuis waar diverse sferen, behandelingen, mensen bij elkaar op eenzelfde afdeling of in beperkte ruimte aanwezig zijn. Niemand ligt er graag, zeker niet als het lente wordt. Een baby of kind hoort er al helemaal niet. En toch hangt er over de gangen geen sluier van verdriet. Verdriet is aanwezig, maar niet overheersend.

Jullie gaan op een heel bijzondere manier te werk. Kan elke clown een ziekenhuisclown zijn?

 Steven: ‘Als clown word je geboren. Je moet ook een soort tristesse in je hebben.’

Saartje: ‘Een ziekenhuisclown is niet zomaar een clown. Je moet een zeker sociaal engagement bezitten en weten welke clown je in welke kamer naar boven kunt halen.

 Welk spel spelen jullie?

 Steven: ‘Wij spelen ons spel op de tonen en het ritme van het kind. Improvisatie is ons codewoord. De sfeer die een kamer uitstraalt en de houding van het kind worden mee opgenomen in ons verhaal en met veel gevoeligheid omgezet in kleur, zonder opdringerig te zijn.’

Saartje: ‘Ja, het kind is de baas, niet de clown. Het is het kind dat bepaalt hoe we te werk gaan. Wil het ons niet dan zwaaien we en gaan we weer weg.’

Steven: ‘En dat is precies wat we doen. Mensen hebben nog altijd een fout beeld van ons werk.’

 Hoezo?

 Saartje: ‘Als mensen aan een clown denken, zien ze iemand met rood, blauw, groen haar, véél te grote schoenen en een gezicht dat verborgen zit achter hopen schmink. Om trauma’s van te krijgen! Wij gebruiken weinig tot bijna geen schmink. Het is belangrijk dat kinderen ons gezicht blijven zien en dat er een menselijk figuur staat. Wij illustreren in een clown al het zotte dat in een mens aanwezig is, maar op een ingetogen manier.’

Steven: ‘Wij zijn geen clowns die met veel tamtam een kamer binnenstormen. Wij gaan heel sereen te werk.’

Saartje: ‘Voelsprieten noemen we dat.’

Steven: ‘Ook de idee over langsgaan bij kankerpatiëntjes klopt niet. Wij richten ons op alle kinderen, van jong tot oud, of het nu voor een routinebehandeling is of voor een ernstige ziekte. Voor mij is het zelfs zo dat kindjes die hier liggen terwijl er zo goed als niets mis met hen is, ons het meest nodig hebben.’

Hij komt, zij komt, maar is dat wel gewenst?

 Ziet iedereen in het ziekenhuis een ziekenhuisclown graag komen?

 Steven: ‘Nee, en dat heeft voor een groot stuk te maken met de beeldvorming. Niet alleen ouders kijken soms vreemd op als we passeren, ook sommige verpleegster staan sceptisch tegenover het werk dat wij doen. Dat verandert snel als ze ons bezig zien. Als verpleegsters openstaan voor ons, dan vinden ze ons vaak een welkome hulp om bijvoorbeeld een kindje af te leiden van die pijnlijke prik of behandeling. We zijn er niet alleen voor de kinderen, ook voor de ouders proberen we een momentje te scheppen waarop ze even kunnen uitblazen.’

Saartje: ‘Helemaal waar.’

Jullie gebruiken zelf het woord ziekenhuisclown en hameren erop die term te gebruiken. Wat is er mis met ‘cliniclown’?

Steven: ‘Er is niets mis mee, maar de afspraak in Vlaanderen was dat niemand de term zou gebruiken. Toen Marie-Paule Neyt in 1993 met onze vzw begon was de naam nog “clowns voor kankerpatiëntjes”. Vreselijk! Snel veranderde de naam in “ziekenhuisclown”. Toen er een jaar later ook in Antwerpen ziekenhuisclowns actief werden, diende zich de vraag aan of West- en Oost-Vlaanderen niet beter samen konden smelten. Het verschil in visie zorgde ervoor dat alles bij het oude bleef, de breuk werd alleen maar groter. De afspraak was dat niemand de naam “cliniclown” zou gebruiken en dat de vzw binnen haar provincie zou blijven. Beide afspraken werden niet nageleefd: de naam werd voor 10 000 Belgische frank gekocht en de clowns trokken de grens over van de provincie Antwerpen.’

Vriendjespolitiek

Jullie zijn met z’n tweeën. Vormen jullie altijd een duo?

 Steven: ‘Ja. Als het goed loopt en niet één van ons twee ziek is. Saartje is mijn partner.’

Saartje: ‘En Steven die van mij.’

 Hoe komt een clown de vzw binnen?

 Steven: ‘Met een vriendje. Zonder dat ziekenhuisclownvriendje geraak je niet binnen. Stopt je partner, dan kun je beter gauw een nieuwe gaan zoeken. Je zou dat vriendjespolitiek kunnen noemen, maar kunnen samenwerken is nu eenmaal essentieel. Ik werk nu vijf jaar als ziekenhuisclown, waaronder vier jaar met contract. Ik zag Saartje spelen in het conservatorium en vertelde haar dat ze een goede clown zou zijn.’

Saartje: ‘Het toeval wil dat Steven net dan op zoek was naar een vervanger. Eerst had ik mijn bedenkingen omdat het allemaal nieuw was, maar algauw bleek het een leuke leerschool.

 Is het spelen van ziekenhuisclown vrijwilligerswerk?

 Saartje: ‘Nee, wij worden betaald. Het is de vzw die ons volledige loon uitbetaalt.’

Steven: ‘De vzw verzamelt de nodige fondsen om de werking van het project te financieren, zodat de ziekenhuizen kosteloos een beroep op ons kunnen doen.’

 Betaalt dat goed?

 Saartje: ‘We mogen zeker niet klagen. Het is geen nine-to-fivejob. Soms liggen er minder kindjes en dan kan een dag al eens vroeger gedaan zijn, maar een korte dag kan even zwaar zijn als een lange.’

 Kun je op elke leeftijd ziekenhuisclown worden?

 Saartje: ‘Nee, pas vanaf 26 jaar. Je moet al een zekere levenservaring bezitten, met zware situaties kunnen omgaan en vooral weten hoe goed op de situatie te reageren. Ik ben in principe nog te jong, maar werd toch toegelaten. Nieuwe clowns krijgen een opleiding binnen de vzw.’

 ‘Met het afwassen van de schmink was je ook de zwaarte van je af’

Wat vinden jullie zo bijzonder aan een ziekenhuisclown?

Saartje: ‘Wanneer we een lach krijgen, is de dag voor ons geslaagd. Het kind moet even vergeten dat het in het ziekenhuis ligt. Die lach mag ook van de ouders komen. Een ouder die achteraf “bedankt” fluistert, daar krijg ik kippenvel van. Ze beginnen vaak tegen ons te vertellen en hebben dat nodig. Wij zijn er ook voor hen.’

Steven: ‘Inderdaad. Een clown moet ook eerlijk zijn met zijn eigen gevoel. Het kinderlijke, het nieuwe, het nieuwsgierige, het magische komt altijd weer naar boven. Wat mij in een ziekenhuisclown aantrekt, is de idee dat je pijn kunt verzachten of het genezingsproces versnellen met iets dat je heel graag doet. Een win-winsituatie.’

Zijn er ook mindere goede kanten?

 Saartje: ‘Ik kom weleens buiten met de gedachte: dat had ik beter niet gezegd. We moeten heel goed op onze woorden letten en alles goed waarnemen en observeren. Zien dat er een rolwagen in de kamer staat, weten dat papa overleden is. Als een kamer minder goed loopt dan gehoopt, moeten we toch telkens weer energie zoeken voor de volgende kamer. Een dag kan daardoor heel vermoeiend worden. Moeilijk is ook als je de gezondheid van een kindje achteruit ziet gaan of een gezond kind ziet terugkeren omdat er niet voor gezorgd kan worden.

Steven: (Knikt)

 Blijf je een clown, ook al hangt je kostuum weer aan de kapstok?

Saartje en Steven (in koor): ‘Nee.’

Steven: ‘Zeker geen ziekenhuisclown.’

Saartje: ‘Als je de schminkt afwast, was je op een bepaalde manier ook de zwaarte van de dag van je af. Je kan niet alles wat je ziet, mee naar huis nemen en blijven dragen. Als we ons kostuum aantrekken, beginnen we als vanzelf te wiebelen en de stapjes te zetten van de clown. Gaat het kostuum weer af, dan valt ook de clown weg.’

Geen recepten, wel kookboeken wat opvoeding betreft

Tags

, , , ,

In de rij naar de kassa vindt soms een heuse bevalling plaats. Buurman- of vrouw in de rij dient heel de inhoud van zijn/haar karretje uit te stallen op de loopband. De uitgestalde ‘waar’ vraagt in zijn rollende bewegingen om nog eens goed bekeken te worden. Wie kijkt voelt zich misschien een voyeur, maar je ziet wel af en toe fascinerende dingen. Zo had laatst een man maar liefst 5 opvoedingsboeken in zijn winkelkarretje liggen. Niemand keek er vreemd van op en iedereen leek te denken: ‘Met de opvoeding van zijn kinderen kan het alvast niet meer fout gaan’

Voyeurisme

Wellicht stellen de deskundigen in de boeken van ‘mijn buurman’, de man gerust. Ze zeggen hem dat de ideale opvoeding niet bestaat. Ze vertellen hem dat er geen sprake is van opvoedingsrecepten, van boeken vol met kant-en-klaar recepten voor een perfecte opvoeding. Kortom, dat de almachtige expert niet bestaat, net zomin als de ideale opvoeder.

Toch is de rode draad in de opvoeding vandaag dat door het volgen van tal van studiedagen, vormingsmomenten, cursussen en opvoedingsprogramma’s, het met de opvoeding niet meer fout kan gaan. ‘Kookboeken’ verschijnen er dus aan de lopende band.

Met ‘kennis’ kan het niet meer fout gaan

Wil de man, die wellicht vader is geworden,  zijn kinderen de best mogelijke zorg geven dan draagt hij de verantwoordelijkheid zich zoveel mogelijk kennis over zijn kind ter hand te nemen. Hoe meer kennis hij kan opbouwen, hoe minder er fout zal lopen in de opvoeding. Dit is althans wat deskundigen ouders lijken te vertellen.

En dus worden boekenkasten vol geschreven over opvoeding en is er opvoedingsadvies à volonté. En dus loopt de vader naar de supermarkt en gaan deze boeken massaal over de toonbank. Met veel hoop op een goede opvoeding worden de boeken de huiskamer binnengehaald.

de deskundige ouder

De vader begint te lezen. Hem treft geen schuld, leest hij in de opvoedingsadviezen. Er komt echter een als: Als ouder treft hem geen schuld als hij het maar blijft proberen. Loopt het toch fout met de kinderen, dan is dat omdat hij (en wellicht de moeder van zijn kinderen) niet genoeg geprobeerd heeft en niet genoeg ‘deskundig’ in de opvoeding is. Een oplossing is dan: deskundig worden en nog meer leren en aandachtig zijn.

De vader voelt een enorme druk op zijn schouders, de moeder ook en samen hollen ze naar de bibliotheek.

Adviezen schieten de hoogte in, onzekerheid ook

Waar adviezen een hoge vlucht nemen, voelen ouders ook hun onzekerheid toenemen.

Het opvoeden van kinderen wordt vandaag niet meer vanzelfsprekend bevonden en gaat gepaard met onzekerheid. Ouderschap wordt niet langer gezien als iets dat ouders spontaan aankunnen, maar als een beproeving. Ouderschap en professionalisering komen steeds vaker in dezelfde zin voor en doen vermoeden dat kinderen opvoeden iets is dat je kunt leren. Zelfs moet leren. Het impliceert tegelijkertijd dat ouders hun kinderen niet meer alleen kunnen opvoeden. En aangezien ouders het toch niet meer alleen kunnen, zijn er gelukkig nog de deskundigen met hun advies.

De vader leest vlijtig de vijf boeken uit en heeft al een nieuw stapeltje liggen van de bibliotheek. Al de boeken waren op hun manier interessant en vertelden elk iets anders. Hij heeft in korte tijd ongelooflijk veel geleerd en is daar blij om. ‘Maar hoe moet het nu verder?’, denkt hij. Hij voelt de eerste blijdschap en trots van zijn kennis, overgaan in onzekerheid en twijfel over zijn kunnen. Maar ook voor die onzekerheid heeft de opvoedingswereld oplossingen. Om de vader en moeder minder onzeker te maken, worden ze ondersteund en worden deskundigen in het leven geroepen. Zij overstelpen de reeds doodsbange vader en moeder met zogenaamd onmisbare informatie.

En nog meer informatie en advies verschijnen op de markt. Die advies- en informatiecultuur lijkt echter voor meer van hetzelfde te zorgen: onzekerheid.

Deskundigen lijken last te hebben van dezelfde kwaal. Ze spreken in absolute bewoordingen over opvoeden, maar tegelijkertijd herbergt dat ‘absolutisme’ twijfel en onzekerheid bij hen zelf. Ze spreken elkaar, maar ook zichzelf, voortdurend tegen. Dat betekent uiteraard niet dat er niet naar hen geluisterd wordt, integendeel. De adviezen van deskundigen blijven groeien. Het pleidooi voor de professionalisering van het ouderschap wordt voortgezet.

Deskundigen menen het goed met ouders, en ouders menen het goed met hun kinderen. Wat deskundigen schrijven en wat ouders lezen is een uiting van diezelfde goedheid. De vader blijft de boeken lezen. Niet alleen uit plezier, maar ook omdat het van hem verwacht wordt. ‘Want, wat als het ooit fout loopt met zijn kinderen, zal hij zichzelf dan ooit kunnen vergeven?’

Gevangenis van de geest

Tags

, , , ,

Traliehekken, zware celdeuren, sleutelbossen. Hét verblijf voor geïnterneerden. Wie met deze stempel de gevangenis binnengeraakt, klautert er nog moeizaam uit. Geen straf, geen duur, geen vooruitzicht. Geen sluitstuk. Wel slot en grendel. Onzekerheid knaagt en vreet als een rat, diep vanbinnen de restjes hoop en geduld weg. Vergeten en verlaten worden ze in een donker hol geduwd. Niet door familie en vrienden, maar door de maatschappij.

Er is geen plaats in deze wereld. Althans niet voor zij die er niet in ‘passen’, in een wereld van ver doorgeslagen marktdenken, waar uit elke hoek blikken lonken en stemmen fluisteren: ‘Presteren, presteren’. Zachte klanken die nazinderen en langzaam, als een aanzwellende storm, een draaikolk van lawaai worden in hoofde van zij die luisteren. De wind raast steeds harder door de kieren van de geest.

Het startschot is reeds lang gegeven. We klasseren mensen, ‘boven’ of ‘onder’ ons. We meten mensen op, van kop tot teen, van links naar rechts. We steken ze in hokjes. Één ervan draagt de naam ‘gevaarlijk’. We weten met hen geen blijf, met zij die psychisch ziek zijn. Zeker niet als ze een strafbaar feit hebben gepleegd. Zij zijn de storende elementen van een samenleving. En dus proppen we hen, bij zij die reeds opeengehoopt in gevangenschap leven, samengehokt in een cel. Zo hoeven we hen niet meer te zien. Zo hoeven we hen niet meer te horen. Zo kunnen we hen vergeten. Zo worden ze onzichtbaar. Ze worden zo gemaakt.

Mensen die ziek zijn horen niet thuis in de gevangenis. Mensen die ziek zijn horen geholpen en behandeld te worden. In de cel blijven zij van elke psychiatrische behandeling verstoken. Omdat het niet anders kan. Omdat de psychiatrische afdelingen overvol zitten. Omdat er in de zorgsector geen plaats is. Het is geen straf, maar een beschermingsmaatregel, zeggen ze. En uit bescherming van de maatschappij, worden zij vaak ‘eeuwig’ opgesloten. Zij zitten vast, gevangen in een web van kortzichtigheid. Vergeten en in de steek gelaten. Als een verzwakt dier dat verstrikt geraakt, en niet op eigen kracht en niet tijdig de val uit kan komen. Niemand helpt, niemand geeft het dier te eten. Iedereen is blij dat het vast zit, van alle hulp ontbloot. Uit bescherming van de maatschappij.

Onmenselijk en schokkend. Een welvaartsstaat onwaardig. Een verziekt systeem dat ziek maakt en doet dwalen door gangen van kleingeestigheid. Muren van onbegrip worden hoger en hoger opgetrokken. Het worden de kerkers van de geest. En de verblijfplaatsen van geïnterneerden worden de vergeetputten van de samenleving. Een sluier die onzichtbaar maakt wat niet gezien mag worden.

Museum Night Fever: enkele deelnemende musea voor u uitgelicht

Tags

, , , , ,

BRUSSEL- Kunt u zich voorstellen hoe het is als vierentwintig musea hun deuren openhouden tot 1u ‘s nachts en er om en rond kunst heel wat bijzonders te beleven valt? Wilt u deel worden van kunst? Op 3 maart kan dat, in onze hoofdstad. Museum Night Fever is een nacht waar mensen voor buiten komen, ook al sneeuwt het of is het ijzig koud. De herinneringen aan de voorbije vier edities zijn namelijk hartverwarmend. De Brusselse straten zijn levendig, talrijk bevolkt en ademen sfeer en gezelligheid uit. Mensen maken er cultuur terwijl ze kunst bezichtigen. Expo, muziek, performance, video, workshops en DJ’s, museumnacht doet er alles aan om u warm te maken. Een bijzonder gevoel.

Wij nemen u mee naar BOZAR, het Paleis voor Schone Kunsten, waar de nieuwe tentoonstelling van de Deen Per Kirkeby and the Forbidden Paintings of Kurt Schwitters zonet zijn deuren opende. Voor wie graag kijkt en ziet is deze tentoonstelling een aanrader. Het gaat om wat u ziet en voelt. Kijkt u opnieuw, dan ziet u iets anders. Het is kunst die ontstaat door het onzichtbare zichtbaar te maken. En dat kan niet zonder publiek.

Schilderkunst is pas doodverklaard. We schrijven 1960.  De traditionele kunst heeft afgedaan en het witte doek heeft geen zin meer.  Net dan wil Kirkeby in de eerste plaats  schilder zijn, hij gelooft immers in de eeuwigheid van deze kunsttak.

Enkele leuke zaken om mee te nemen: De tentoonstelling is chronologisch opgebouwd waardoor u bijna meegezogen wordt in de evolutie en denkstructuren van Kirkeby. Het is opvallend hoe zijn geologiestudie, op een eigenzinnig wijze, op elk werk zijn stempel drukt. Een diepe gelaagdheid die zowel in verf als in vorm telkens terug verschijnt.

In een eerste fase maakte Kirkeby zijn werken op masonite, een gedrukte houten vezelplaat met telkens dezelfde afmeting. Ze worden schoolborden als ze met groene of zwarte verf overschilderd worden. Zijn krijttekeningen geven een vergankelijkheid weer, een voortdurend spel van kwetsbaarheid.

In de jaren zeventig schilderde Kirkeby hekken. In Denemarken zie je ze overal. Hij gebruikt ze als beeldspraak. Telkens wordt het minimalistisch motief herhaald. Achter het hek lonken complementaire kleuren. Schilderkunst zit er opgesloten. Denk het hek weg, en de kunst breekt los.

Kirkeby deed ook aan ‘overpaint’, hij overschilderde andere werken. Het traditionele en kitscherige schilderij wordt kapotgemaakt, maar daaruit ontstaat iets nieuws.

De tentoonstelling laat, naast schilderijen, ook enkele beelden in brons en architecturale beelden zien. Deze laatste zien eruit als bouwwerken, maar hebben geen praktisch nut. Door de leegte die ze omhullen hebben ze ook iets ontkennends.

De tentoonstelling is te bezichtigen van 10/02 tot 20/05.

BOZAR pakt daarnaast ook uit met een fototentoonstelling  van Cy Twombly. Op 3 maart is er nog meer: U kunt de geboorte meemaken van een kunstwerk, twee muzikale zalen worden opengesteld. In de Horta Hall staan vijf podia opgesteld, die elk een continent met bijbehorende muziekstijl voorstellen. Om de tien minuten wordt er afgewisseld. Tapas en wijnen van over de hele wereld vloeien er rijkelijk.

Adres: Ravensteinstraat 23

We laten het Paleis voor Schone kunsten achter ons en gaan de onderaardse galerie door, richting Centraal Station. We volgen het bordje ‘Kunstberg’. Staan we terug onder blote hemel, dan zien we aan onze linkerkant de Kunstbergtuin. ‘Librarium’, staat te lezen op een grote affiche langs de gevel van de Koninklijke Bibliotheek België. Het is het Latijnse woord voor bibliotheek. Deze nieuwe tentoonstelling over de geschiedenis van het boek, schept sfeer en verwondering. Het is een permanente ontdekking van boek en schriftculturen, van haar verschillende vormen en levens en van het kleinste boekje ter wereld. Prachtige illustraties, films en kamers doen de geur van inkt en papier heropleven. Het is een warme omgeving waarin enkel de ‘elektronische bordjes’, die als bijschriften  moeten dienen, niet altijd hun nut bewijzen.

Op de verrukkelijke avond van 3 maart staat een workshop graffiti en een tentoonstelling met werken van jonge graffitikunstenaars op het programma.

Tips: De tentoonstelling wordt zowel chronologisch als thematisch aan u voorgesteld.

Adres: Kunstberg

We lopen de Kunstbergtuin door, gaan de trappen op en beklimmen het eerste stukje van de ‘Kunstberg’. Deze berg heeft zijn naam niet gestolen. We gaan nog een klein stukje de Hofberg op en links van ons ligt het interactieve Muziekinstrumentenmuseum (‘mim’ voor de vrienden).

Bovenaan de berg ligt het Koningsplein, met aan haar linkerkant het BIP. De tentoonstelling eB! experience Brussels vindt er haar onderkomen.  Ze speelt zich af in de hoofdstad, maar vooral op scherm.  Het zal u niet verbazen maar het regent. We schuilen onder moeders paraplu, waar we oud en jong, vrouw of man ontmoeten. Zij vertellen hun verhaal, zij vertellen over Brussel. Een regen van cultuur brengt ons in contact met geluiddruppels en beelddruppels. Foto’s en kaarten laten een ‘andere’ stad zien. Creatieve  ideeën gaan aan ons voorbij, maar kunnen toch niet de indruk wegnemen dat het vooral een cd-rom is die wordt afgespeeld.

Op museumnacht brengt het collectief OSA Mayor een bijzondere mix van muziek, dans, circus, schilderkunst, geluid en beeld.

Tips: Wilt u rustig de tijd nemen om alles te lezen over Brussel, de quiz te maken, te kijken en te luisteren, dan is museumnacht misschien niet het uitgelezen moment om deze permanente tentoonstelling te bezoeken. De ruimtes zijn klein, het lawaai vlug luid, waardoor de geluidopnamen en computerschermen vaak in gebruik zijn. De tentoonstelling is gratis en elke dag te bezichtigen.

Adres: Koningsstraat 2-4, Brussel.

Houdt u van mystiek en een tikkeltje geheimzinnigheid, dan ligt slechts enkele huisnummers verder,  op nummer 10, de ‘Coudenberg’, het voormalig Paleis van Brussel. Op museumnacht nemen theatermakers bezit van haar onderaardse gangen. De vreemdste gedaanten en verhalen verschijnen er op uw weg.

Op het Koningsplein kunt u deel worden van een kunstwerk of u kunt zich laten fotograferen in een tableau vivant. Het plein is tevens de plek waar shuttles af en aan rijden. Wilt u wat verdere oorden verkennen, dan kunt u zo’n shuttle nemen. De shuttle richting Jubelpark gaat langs het Jubelparkmuseum en het Koninklijk museum van het leger en de Krijgsgeschiedenis en het Natuurwetenschappelijke museum. We passeren het Museum van Elsene, waar de dames van Filles de Minuit met behulp van heel veel veren u meenemen naar de Belle Epoque, en vervolgens komen we terug aan op het Koningsplein. Daar nemen we een andere shuttle die de meer zuidelijke contreien verkent. Deze zet ons af aan Het Joods museum, de Hallepoort, Wiels, museum voor Fantastische Kunst en het Art & Marges museum.

Wij willen weten wat kunst is en stappen af aan de Hoogstraat. We bevinden ons in een compleet ander deel van Brussel. Het vossenplein en de Marollen zijn niet veraf. De kunsthandel leeft, net als de zoektocht naar schatten. Hier worden de limieten van de in- en outsiderkunst losgelaten. Kunst kent hier geen marges. Een sfeer die we zeker ook terugvinden in het Art&Marges museum.

Het Fabuleuze avontuur van de Bourbonnais familie, op het gelijkvloers, grijpt ons vast en vertelt meer dan wat we zien. De Fabuloserie is een verplicht trefpunt in de wereld van de “art brut”. Alain Bourbonnais maakte haar geschiedenis. Zo verzamelde hij een groot aantal werken die aanleunen bij de volkskunst. De makers zijn niet afkomstig van scholen maar slijten hun bestaan in fabrieken en op velden. Naast Alain Bourbonnais, toont de collectie nog een twintigtal kunstenaars van La Fubuloserie in een senografie die nauw aansluit bij de geest van die “versterkte burcht van het marginale”.

Helemaal op het einde hangt een werk van Simone Le carré Galimard (Frankrijk). Ze groeide op in een puriteinse familie waarin er niet gelachen mocht worden en er geen speelgoed aanwezig was.  Op het moment dat ze alles wat ze in haar kindertijd gemist had, kon verzamelen, nam ze wraak. Ze verzamelde alle voorwerpen die ze niet gekregen had. Al haar kinderdromen komen in het werk aan bod. Het is een wereld die in haar leeft, die ze tot dan toe niet kon beleven.

We gaan de trappen op. In het eerste zaaltje is van de tentoongestelde werken een vrouw in klei, uit haar hele lichaam ontspringen kinderen. Het is een werk van de Senegalese kunstenaar Seyni Awa. Zij rebelleert tegen de verboden van haar voorouders. Ze laat haar excentrieke fantasie de vrije loop in haar figuren en creëert een wereld die bevolkt wordt door zwangere vrouwen of vrouwen omringd door kinderen. In een put voor haar huis worden de beelden gebakken.

De volgende kleinere kamer heet ‘Fair Room’. Bokswedstrijden, paardenmolens en hoge draaimolens van de hand van kunstenaar Georges Cornasses, halen in ieder mens het kind naar boven. Kleine figuurtjes nemen u mee naar de kermis, het circus en met een druk op de knop kunnen we meespelen in hun spel. Accordeonmuziek brengt sfeer in elke vezel van het spelende kind.

In het tweede vertrek hangen de werken van de laureaten van de disART wedstrijd. Werken van kunstenaars met een beperking.

Art & Marges ademt rebellie uit. Protestwerk kunt u zeker ontdekken in de laatste kamer.

Een ware zoektocht van kwetsbare kunstenaars, “outsiders”,  werkzaam buiten het officiële kunstcircuit. Het museum brengt kunst en marges samen, zonder ze gelijk te stellen.

Op museumnacht kunt u bovendien ook genieten van drie cycli, drie choreografieën en drie dansers. Kronkelende lichamen komen u tegemoet en nemen u mee langs de tentoongestelde werken.

Adres: Hoogstraat 314

Onze tips:Shuttledienst: Tijdens Museum Night Fever kunt u gebruik maken van een gratis shuttlebusdienst die stopt aan elk museum, om u snel en efficiënt  naar de verschillende bestemmingen te brengen. Om de tien minuten komt er een nieuwe shuttle.

Studenten geven u uitleg: Wilt u behalve kijken en genieten ook luisteren, dan staan studenten geschiedenis en kunstgeschiedenis in de meeste musea van 19u tot 23u voor u klaar. Elk van hen heeft 2 à 3 favoriete voorwerpen uitgekozen, die ze met plezier zullen toelichten.

Inschrijven activiteiten: Sommige activiteiten kunnen maar een beperkt aantal deelnemers toelaten. Inschrijven hiervoor kan de avond zelf aan het onthaal van de musea.

Voor de concerten en afterparties kan niet op voorhand gereserveerd worden. Vol = vol.

Afsluiters: Het muziekinstrumentmuseum, Het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijggeschiedenis en het Wiels kunt u eventueel als laatste bezoeken, ze zijn immers langer open dan de andere musea.  De laatste shuttlebus vertrekt om 2u aan deze musea.

Wat na 1u? Het is één uur, maar de nacht is nog niet voorbij. Op twee verschillende locaties kunt u gaan dansen: Fuse (techno) en You Night Club (commercial/house). Met je Museum Night Fever-pass betaalt u slechts 5 euro per club.

Tickets: Bestel uw tickets best minstens een dag op voorhand, zo spaart u vier euro per ticket uit. 1 pass = 24 musea + MIVB Shuttlebus. 8, 00 euro (van 06.02 tot 02.03.2012) – 12, 00 euro (de dag zelf 03.03.2012)

Kortingen: Cultuurwaardebon en Article 27 en BOZARTSTART. Gratis toegang voor kinderen t.e.m. 12 jaar, vergezeld van een volwassene.


De man die uit het raam keek

Ze heeft hem lief, de man die uit het raam kijkt. Dat weet ze wel zeker. Ze voelt het gewoon. Telkens wanneer hij kijkt, vervult haar lichaam zich met een warme, tegelijk koude gloed. Ze kan niet precies zien waarop zijn blik gericht is, maar hij kijkt haar aan.

Hij kijkt uit het raam en zij kijkt terug. De gordijnen wapperen weg en weer, ook al lijkt het windstil. Ze zwaaien. Ze maken het geheel sierlijk. Maagdelijk wit.

Wanneer hij zich opricht en uit haar gezichtsveld verdwijnt hoopt ze dat hij niet weggaat maar naar haar toe komt. Zij zal aan het raam zitten en naar buiten kijken. Ze hoort voetstappen op de gang. Beeldt zich in dat de deurklink zachtjes naar beneden wordt gedrukt. Hoort ze het goed? Het is alsof haar deur knarst en schrijlings langs de planken vloer gaat. Een rilling loopt langs haar hele lijf. Stil, huiverend blijft ze zitten. Ze wacht. Zijn blote voeten raken het warme hout. Haar lichaam gloeit van zijn onhoorbare strelingen. Nu staat hij achter haar. Bijna voelt ze zijn warme adem in haar nek, warmte die straks vochtig wordt. Zijn handen komen te rusten op haar schouders, haar voeten zweven nu boven de grond.

Ze ruikt hem. Dezelfde geur die hij achterlaat in wasgoed, kleren en in het kussen. Ze probeert de geur vast te houden door geruisloos zo diep mogelijk met haar buik te ademen en zijn ‘parfum’ op te snuiven. Nooit, zou zij de dingen die hij aangeraakt heeft, nog wassen. Want wat als hij plots verdween? Of voorgoed vertrok?

Ze was even afgeleid door haar eigen, vurige en opdringerige gedachten. Hij is weg en ze heeft het nooit gemerkt. Er is niemand. Toch lijkt alles anders: zijzelf, de kamer, de klink. Precies alsof er een laagje blinkend vernis gestreken is op alles wat haar lief is. Toch komt niemand achter haar aan. Hij knoopt niet teder haar bloesje open.Trekt niet gretig de kleren van haar lijf.

In haar flanellen wit topje, drukken haar tepels zichtbaar fel tegen de stof aan. Het fascineert haar: De lichtelijk gekreukte stof op de plaats van de welvingen, precies alsof er net daar niet genoeg stof is. De zachte donkere verkleuring achter de lichte stof. Het mooi opwindend gebaar van haar eigen lichaam. Dit keer niet van haar denken en fantasie.

Ze raakt in de war, tegelijk ontroerd en leeg. Zal ze hem zoeken?

Ze komt in lange smalle, en kraaknette gangen. Overal is het wit. Het licht is wit. De mensen zijn wit, de muren en zelfs de tegels zijn wit. Ze begint te hollen. Haar voetstappen weergalmen niet in de gang. Ze kan hem nergens vinden.

Nooit houdt het op. Ze blijft lopen. De tijd gaat voorbij. Ze blijft zich voortduwen maar haar benen hangen slap aan haar lenden…

Een miskoop die grote garnalen

Overbevissing.  Dieren die enkel en alleen nog als product gezien worden en niet als levend wezen. Dat heeft er gedeeltelijk voor gezorgd dat ik minder vlees, vis en schaaldieren koop. En toen ging het mis. Het eigen principe werd doorbroken. Er zit een duister kantje aan. En vooral een geurtje.

Twee dagen ongelooflijke drang naar koekjes, voerden me vanmorgen naar de supermarkt De Spar. Die drang naar zoetigheid komt er meestal ‘s avonds, op het ogenblik dat de winkels hun deuren sluiten. De kastdeuren gingen thuis dan maar open. Nergens vond ik een krokante kruimel, suiker in pakjes uitgezonderd. Nergens één stuk chocolade.Toch deed ik een vondst. En wel één van meerdere zoethoudertjes samen. Een schoenendoos op de bovenste schap van de kast, met daarin zakjes gevuld met snoep in allerlei maten en kleuren. Ten voordele van AJOK, staat erop. ‘Alle jongeren op kamp’, betekent het voluit. Welgeteld zijn de zakjes twee jaar oud, omdat ik geen verkoper ben, en al zeker niet van snoep.

Mijn smachten naar zoet gisteren, bracht mij dus bij die zoetigheid. Ondertussen zijn ze goed hard geworden, de tanden en de smurfen. Met een hete thee, waarin ik ze -als een koekje in de koffie- onderdompel, worden ze weer heerlijk zacht. Nu, ik ben geen snoepjesmens, wel een koekjesmens. Maar die avond hielp die vergelijking wonderwel.

Vanmorgen besloot ik dus bij de pinken te zijn, en ruim op voorhand -vóór sluitingstijd-  de begeerde koekjes te bemachtigen. In de winkel passeer je eerst de groenten en dan het vlees, en dan ook de vis. Reuzengarnalen verpakt-50%, met houdbaarheidsdatum: de datum van morgen. Opeens kon ik het niet laten, en ging ik in tegen mijn principe (zo min mogelijk bedreigde vissen en schaaldieren kopen).

Deze avond gingen ze de pan in. Het uiteindelijke resultaat rook wat vreemd, maar het zag er smakelijk uit. Smakelijk was het allerminst. De grote garnalen of gamba’s konden mij niet bekoren. Maar omdat ik het mezelf nooit zou vergeven ze weg te smijten, werd ik liever ziek, dan dat ze voor niets ‘bevist’ waren. Ik prikte ze dus, een voor een uit de pan en stak ze in mijn mond. Kouwen en doorslikken en zo weinig mogelijk proeven. Wat overbleef was een heerlijke rijstschotel, waar niets mis mee was.

Ik heb nog wat moeite “het spijs” terug in herinnering te brengen.  Ondertussen ben ik aan de geur gewend. Maar ging ik daarstraks even naar benden en toen weer naar boven, overviel mij toch die ongewone lucht.  Daarstraks kwam een huisgenoot vragen of alles wel oké was. Het rook toch zo vreemd in de gang. Eerlijk: in de keuken ruikt het nog vreemder. En de geur ligt als vloeipapier over alles die er leeft: mijn fruit, potten, pannen en de afwas. En ook over de koekjes. Het zal een hele tijd geen grote garnalen meer zijn, ook al zijn ze klaargemaakt en worden ze me voorgeschoteld.

Was het mijn straf?

Weet u, op de gemiddelde garnalentrawler wordt tachtig tot negentig procent van de gavangen zeedieren weer overboord gegooid, dood of stervende als bijvangst. Garnalen maken per gewichtseenheid slechts twee procent uit van de wereldwijde zeevisserij, maar de garnalenvisserij is verantwoordelijk voor drieëndertig procent van de totale bijvangst. Bijvangst geeft de vangst aan van andere vissen of dieren  dan deze waarop bedoeld gevist wordt. Als er nou eens een etiketje op ons eten zou zitten, waarop stond hoeveel dieren er waren gedood om dat begeerde dier op ons bord te krijgen? Dan zou er bij garnalen uit Indonesië op het etiket staan: voor elke kilo van deze garnalen is tweeënvijftig kilo andere zeedieren gedood en weer in zee gegooid.

Ik hoop dat het bij u gesmaakt  heeft. Ik zal nu geen twee maar drie keer nadenken voor ik nog ‘rode’ vis koop.

Kerst in een contrasterend pakje

‘Pak maar in’, zegt een geföhnde dame, ‘en doe er alstublieft een rode strik om’. ‘Nee, geen zwart, rood!’

Achter de vrouw staat een lange rij mensen, in diverse stijlen en maten. Over een uur gaan de winkels voor kerst definitief dicht. Mensen beginnen te lopen. De avond valt samen met de duisternis, de wind wordt guurder en snijdt scherp, de rust daalt neer met het sluiten van de winkels en laat eindelijk een tikkeltje kerst toe.

Voetje voor voetje schuifelen rode schoenen, zwarte plateauzolen, lange herenschoenen en kanariegele pumps vooruit, richting kassa. Probeer u even in te beelden: dertig paar verschillende benen, die heel langzaam, vaak synchroon, voorwaarts bewegen. Iemand heeft zijn veters open, een andere is vergeten zijn ene broekspijp uit zijn laars te halen. De rij schoenen wordt doorbroken door een klein meisje, neergeploft op haar vloeren kleedje, voor haar papa op de grond. ‘Het heeft lang genoeg geduurd, ik verroer niet meer’, hoor je haar voor heel de winkel roepen. Het meisje durft te zeggen wat zoveel volwassenen denken. ‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer’.

Ze mogen bijna betalen, de vader en het meisje, nu rest enkel nog de keuze tussen een witte strik dan wel een zwarte.

Klaartje staat al bijna 20 minuten aan te schuiven en heeft nog een lang lijstje af te werken. ‘Ik heb al de hele tijd stress omdat ik niet weet of ik er zal geraken, nog drie pakjes te gaan’ vertelt ze. Heerlijk vindt ze dan weer het doorstrepen van de woorden op haar blaadje. ‘Een opluchting’. Deze mooie dame, van eind de twintig, lijkt al doodop en het feest moet nog beginnen.

Het meisje met de zwavelstokjes loopt van deur tot deur. Glurend door ramen ziet ze gezellige kersttaferelen. Kaarsen op tafel en lichtjes in de kerstboom, die met zijn mooie takken de pakjes onder de arm neemt. Het is een warm gebaar waar het meisje om moet glimlachen. De mensen maken eten en dekken de tafel. Kinderen leggen de laatste hand aan het versieren van de kamers. Met de beelden vertelt het meisje zichzelf een verhaal.

Als een kudde schapen lopen de mensen achter de pakjes aan. Nergens zie je een herder. Mensen verdwalen in de weidse straten vol mogelijkheden. ‘Is het voor een jongen of een meisje?’ vraagt de winkelbediende. ‘Welke kleur ziet hij graag?’

In de Fnac staat een lange rij, naar schatting 30 meter. In deze winkel zijn mensen uren op de dool en trachten  alles in hen op te nemen om toch nog het geschikte cadeau te vinden. Ze lijken te wachten op  dat stemmetje die zegt ‘neem mij’.

Na het slenteren richting kassa wacht hen nog de ‘struggle for life’ bij de inpaktafel. Iedereen wil zo’n velletje gekleurd papier.

Anders wordt het wanneer Dante en Senne aan de inpaktafel staan. In deze rij lachen de mensen. De twee scoutsjongens verdienen een aardige cent door cd’s, dvd’s, boeken en allerhande, tot cadeautjes te maken. Vandaag staan ze hier van kwart over twee tot de winkel sluit. Of ze al pijn hebben aan de handen? ‘Nee hoor, wel is het al heel erg druk geweest. Ik heb al meer dan honderd pakjes gemaakt’, zegt Dante, de jongste van de twee.

Een mevrouw lijkt bang dat haar boek geen pakje zal worden en helpt de jongen één kant vast te houden.

Gekleurde briefjes op een bodem van muntstukken puilen uit de grote confituurpot.

Onhoorbaar en bijna onzichtbaar stapt het meisje met de zwavelstokjes de Bagattenstraat uit, vervolgt haar weg naar beneden, diep de stad in. Haar pantoffels lijken doorweekt en haar veel te dunne jas maakt het meisje fijn en broos. Ze vindt het heerlijk om door de grote etalages  de mooi geklede vrouwen te bewonderen. Niemand kijkt haar aan of merkt haar op. Ongegeneerd kan ze vrouw en kind, man en madame, bekijken en dromen van warme zachte stoffen.

Pakjes piepen uit de met glinstering beklede tassen. Bengelend aan de arm reizen ze doorheen de winkelstraten. Hun geluid zwelt aan.

Een mooi blauw zakje kan algauw een anderhalve euro extra kosten. ‘Ik vind het een schande als je voor het inpakken moet betalen, alles is al duur genoeg’, zegt een verontwaardigde klant.

Sommige winkels doen de grootste moeite een mooi pakje af te leveren. In boekhandel de Standaard vraagt de mevrouw aan de kassa de eerste letters van de naam ‘zodat de pakjes zeker niet worden omgewisseld’.

Ondertussen staat de rij geduldig te wachten. Of niet? Geregeld zie je iemand op zijn horloge kijken, af en toe zie je bij man of vrouw een klein pareltje op het gelaat.

‘Het is toch altijd hetzelfde’ roept een vrouw tegen haar man. ‘Altijd op het laatste nippertje’.

Sophie (48) koopt ruim op voorhand haar cadeaus om de drukte te vermijden. ‘Ik vond ze alleen nergens terug; te goed verstopt’,  zegt ze glimlachend. ‘En nu kan ik opnieuw beginnen!’

Veel mensen gaan nog op het laatste moment winkelen. Vrijdag was het record aantal bankverrichtingen bijna 10.000 in één minuut, goed voor een dagtotaal van maar liefst 5 miljoen. Kerstavond waren het er bijna 12.000.

Stijn, de enige muzikant in de straat, verdient iets meer deze dagen. Zijn muts raakt goed gevuld.  Met lange haren en een glimlach op de lippen zingt hij zijn lied als een soort troubadour. Zijn hond kijkt, met de snuit tegen de straat aangedrukt, elke voorbijganger aandachtig aan. Een meisje gooit een muntstuk, geldstukken rinkelen. De man in haar kielzog volgt ditzelfde gebaar. Het is als dominostenen; valt één muntstuk, dan vallen er velen.

Het meisje met de zwavelstokjes heeft weinig aan. Beschut tegen de ijzige wind, zit het meisje ineengedoken tussen de hal van twee winkels, haar voetjes onder zich getrokken. In haar hand houdt ze een kop, het afgebroken oor contrasteert met de fijn geschilderde bloemetjes aan de bovenkant.

Veel donkere tinten kleuren het straatbeeld in een pallet van roodbruin tot zwart. Menig man lijkt zich ongelukkig voort te bewegen, de kudde doelloos volgend. Het is moeilijk een warm beeld of een warm gebaar te vinden. Het is druk en lawaaierig, muziek schalt door de luidsprekers, af en toe valt eens het woord ‘Christmas’.

Miet (43) vindt er niets aan, aan het kopen van al die cadeautjes. De drukte en het tegen elkaar op lopen. ‘En het zal alleen maar erger worden’, zegt ze. ‘Al verfoei ik het, ik loop toch wel weer mooi mee.’

‘Hier moet je niet komen om de sfeer op te snuiven’, vertelt Gerard (74). Ik vind pas de kerstsfeer als ik mijn knellende voordeur, die schraapt over de steen, terug open.’

Hanneke (23) piekert. Ze heeft nu enkel een cadeautje voor haar metekind, maar dan krijgt het kindje van haar broer niets. ‘Man, man, wat haat ik dat vergelijk!’

Het meisje denkt na welk pakje zij liefst zou krijgen. Ze weet het niet. Ze voelt nog weinig de kou aan haar voeten die heel haar lichaam is doorgedrongen. Op een bepaalde manier ruikt ze de kerstbomen doorheen de beschermende geur van mensen.

De wind snijdt, de handen worden kouder.

Een jongen zit op de grond met een heel klein potje in de hand. Hij lijkt afwezig, de mensen die hem voorbij lopen ziet hij niet. Weemoed hangt als een sluier om hem heen. Met gebogen hoofd staart hij voor zich uit.

Mensen lopen voorbij zonder iets in het potje te gooien. Het lijken twee werelden. De jongen die daar wezenloos zit en de luidruchtige meute op jacht naar het ideale cadeau. De handen die het roze potje omklemmen verbleken.

Het meisje met de zwavelstokjes merkt de jongen op, hij lijkt wel een standbeeld. Hoe houdt hij het  vol zijn hand zo lang uitgestrekt te houden? Stilletjes loopt ze naar hem toe en zonder iets te zeggen strijkt ze naast hem neer. In haar aanwezigheid valt de jongen nog minder op maar hij schijnt het niet erg te vinden. Een schichtige glimlach verschijnt om zijn lippen. De ondergrond van koude straattegels lijkt hem plots te verwarmen. Stilzwijgend luisteren ze naar elkaar.

Als de avond valt beginnen sommige mensen te lopen. Gejaagd vragen ze hoe lang de winkels nog open zijn. Tot ‘vijf’ uur, glimlacht een verkoopster. Een chic geklede dame op hakken begint in paniek willekeurig dingen uit de rekken te nemen. Haar man, meegesleurd in de race tegen de klok, lijkt enkel nog aan kalkoen te denken.

Het meisje met de zwavelstokjes neemt de jongen onder de arm. Ze strijken een lucifer af en kijken hoe het lichtje blauw vervlamt en geel uitwaaiert. Lichtjes spiegelen in hun ogen. Samen lopen ze de straten af en vieren zo kerstmis. Ze eten met hun ogen, zingen mee met de kinderen rond de kerstboom en verwarmen zich aan de gezelligheid die de mensen omringt.

Pas als de winkels sluiten valt er kerstsfeer op te snuiven.

Een vuilniswagen houdt halt en haalt het karton op. Het overstemmende geronk van de motor maakt alles stil, de rust lijkt zich als een deken boven de stad neer te vleien. Het oranje zwaailicht boven op de wagen, zorgt als een vallende ster voor de warme gloed die we eerder op de dag zochten. Nu het stil wordt schijnen de lichtjes echt, ook vanbinnen. Kachels branden en likkende vuurtongen maken de huizen warm.

Het meisje en de jongen treden binnen met hun ogen.

Iemand heeft hen gezien.

Ze staan Echt dood te wezen

Taxidermie een vak met bezieling

Dieren prepareren is een oud beroep en kent in Vlaanderen nog slechts een tiental professionele taxidermisten. Ze lijken wel een bedreigde ‘soort’. 

“Ons land kent geen opleiding en sommige taxidermisten wikkelen zich in een waas van geheimzinnigheid”, vertelt Yves Baeten, zelf al meer dan 25 jaar taxidermist. “Ze willen hun kunsten niet delen en nemen niemand in de leer. Een goede taxidermist ben je bovendien niet zomaar: pas met veel geduld, handigheid, kennis en passie voor het dier word je misschien een goed preparateur.”

Zaagsel en houtkrullen; het atelier doet denken aan een kleine werkplaats van een schrijnwerker. Op de prepareertafel ligt een prachtige fazantenhen. De kleurrijke staart; met zijn lange veren, verloochent de trotse houding van het dier niet. Yves Baeten verwijdert het skelet, het vlees en de ingewanden. Wat overblijft lijkt wel op een handpop voor de poppenkast.

Hoe verser hoe beter

Een koppel fazanten werd gisteren bij Yves Baeten binnengebracht. “Ik neem enkel dieren aan die niet beschadigd zijn. Ik vries ze onmiddellijk in, want de ontbinding begint direct. De fazanten laat ik niet wachten omdat ze met hun lange verenstaart moeilijk de diepvries in kunnen”, vertelt hij. De haantjesfazant staat al fier ‘dood’ te wezen, de hen rest enkel nog een hoopje huid. Het vlees en de ingewanden heeft Yves Baeten terug in de diepvries gestoken. Het draagt de naam ‘risicovol vlees’ en ‘gevaarlijk’ omdat het niet gecontroleerd is door een dierenarts. Als de diepvries vol zit, komt een speciale firma het vlees ophalen om daarna te verbranden. Het skelet daarentegen mag gewoon de vuilnisbak in. “Vroeger werd heel het binnenste van een dier gerecycleerd tot dierenvoeders en schoonheidsproducten, maar sinds de gekke koeienziekte en de dioxinecrisis is alles meer gereglementeerd. En gelukkig maar”, zegt Yves Baeten.

De fazantenhen ligt zonder skelet, vlees of ingewanden op de prepareertafel. Het dier kijkt je aan met lege kassen. Er is alleen huid, vel met prachtige vederdracht, de schedel en de poten. “Ik behoud de schedel omdat het dier dan veel natuurgetrouwer is. De meeste taxidermisten gebruiken een kunstmatige moule die ze zo in de winkel, voor elk dier, kunnen kopen.” Yves Baete is nog één van de weinigen die met de ambachtelijke methode werkt. Veel materiaal komt er niet aan te pas. Een scalpeermes, een schaar en wat huishoudelijk gerief zijn voldoende om een kleine vogel op te zetten.  Met natuurlijke materialen zoals houtkrul, ijzeren staafjes en touw bootst hij de vorm van het vlees na. “Nu doe ik haar kleedje aan”, zegt Yves Baeten, trekt het vel over het bot van de poten en drapeert het verengewaad over het met houtkrullen vervaardigd lichaam. Als een jasje wordt de huid onderaan de buik, met naald en draad, dichtgemaakt. Nu moet de fazant nog anderhalve maand drogen. De kostprijs bedraagt 120 euro. Voor een kleine vogel betaal je ongeveer 80 euro.

Niet opgezet met opgezette dieren

Alle dieren kunnen worden geconserveerd, van het allerkleinste tot het allergrootste, maar niet alle dieren mogen opgezet worden. In Vlaanderen mag geen enkel beschermd dier worden opgezet voor commerciële doeleinden.  “Alle vogels zijn beschermd, dus geen enkele mag opgezet worden”, vertelt Wouter Faveyts van het Agentschap voor Natuur en Bos. Wel laat de wetgeving een aantal uitzonderingen toe. Een afwijking kan gevraagd worden aan het Agentschap en wordt hoofdzakelijk gegeven voor onderzoek- en educatieve doeleinden. Een vogel die tegen een hoogspanningskabel of raam vliegt of een das die onder een auto is terechtgekomen, moeten mensen laten liggen. En dat verbod is een goede zaak, zegt Jan Rodts, directeur van Vogelbescherming Vlaanderen. Vogelbescherming Vlaanderen is niet te vinden voor het opzetten van dieren omdat er heel wat misbruik is.

Wat in Vlaanderen verboden is, is het daarom nog niet in Brussel of Wallonië, waarschuwt Yves Baeten. “Met de complexe structuur van het land komen preparateurs geregeld absurde situaties tegen. Zo mogen we in Vlaanderen geen houtsnip opzetten, in Brussel kan dat in sommige periodes wel”, zegt hij. “In der tijd zette ik 50 vossen per seizoen op, terwijl een preparateur in Brussel omstreeks dezelfde tijd zijn hele boeltje mocht verkopen omdat hij er één had opgezet en geëtaleerd.”

“De regelgeving in Vlaanderen verschilt totaal van die in Nederland,” gaat hij verder. “In Nederland krijgt een preparateur een ministeriële erkenning en mag vervolgens alles opzetten, tot beschermde dieren toe. In Vlaanderen zijn ze veel strenger en mogen de meeste wilde dieren niet opgezet worden, maar iedereen mag zich wel ‘taxidermist’ noemen.”

“Het zou veel beter zijn moest een taxidermist, zoals in Nederland, een erkenning krijgen zodat hij elk dier die op een normale manier aan zijn einde komt, mag opzetten. Taxidermisten kunnen perfect zien of een dier een natuurlijke dood gestorven is en daar moet de grens getrokken worden,” vindt hij.  “En ondermeer om die verandering te bekomen werd de ‘Vlaamse Vereniging van preparateurs’ opgericht”, vertelt Yves Baeten. Volgens Wouter Faveyts (Agentschap voor Natuur en Bos) zijn er in elk geval geen plannen om de regelgeving aan te passen. “Als beschermde dieren zonder meer of gemakkelijker mogen worden opgezet, dan zou dat kunnen resulteren in een achteruitgang van het beschermingsniveau van wilde dieren.”

De vraag is groot

Sinds jaar en dag behoren jagers tot de klandizie van preparateurs, maar ook particulieren, musea, onderwijsinstellingen en dierenparken kunnen tot hun klanten gerekend worden. Zo heeft Bellewaerde Park nog steeds een eigen taxidermist, maar het opzetten van dieren is er meer uitzondering dan regel, vertelt dierenverzorger Nadimir Maslov. “Soms wordt een bijzonder dier dat sterft, opgezet om in het park of in een museum ten toon te stellen.”  Ilse Segers van De Zoo van Antwerpen geeft mee dat de dierentuin geen eigen taxidermist meer heeft. Vorige week stierf hun neushoorn in Planckendael en het skelet ging, voor wetenschappelijk onderzoek, naar het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel.

Ook kunstenaars kloppen aan bij de taxidermist.

Jan Fabre (kevers, knobbelzwanen), Koen Vanmechelen (kippen), Wim Delvoye (varkens), en Robert Devriendt, zijn enkele van de Belgische artiesten die met opgezette dieren werken. “Kunstenaars vragen soms vreemde dingen”, vertelt Yves Baeten. “Het vreemdste wat ik ooit heb opgezet was een kat met een radarwerkje waardoor het kon miauwen. Ooit vroeg een kunstenaar mij twee varkens en veertig kippen op te zetten, die hij vervolgens zou aankleden. Ik vertik het om op zulke vragen in te gaan. ‘Hoe zotter, hoe beter’, is tegenwoordig het motto.”

Waar zit het verschil dan tussen jachttrofeeën en het opzetten van dieren voor de kunst?

De taxidermist is verontwaardigd: “Jagers zijn gepassioneerd en laten dat blijken aan de hand van hun trofeeën. Een kunstenaar die dieren laat opzetten en vervolgens bewerkt, ziet een dier niet als een wezen, maar als geld en succes. Zelfs een dood dier is geen stuk speelgoed. Ook een dier heeft een geest en karakter.”

Robert Devriendt (Vlaams kunstenaar) schilderde opgezette dieren uit liefde voor het dier en de schoonheid ervan.  “Een opgezet dier stelt ons in staat het dier, in zijn uiterlijke en niet-levende vorm, te bestuderen en te bekijken. Dit kan leiden tot een grotere kennis en waardering van het dier.”

“Om een dier goed te kunnen opzetten, heeft een taxidermist een grote kennis van het dier nodig en moet hij erdoor gepassioneerd zijn”, zegt Yves Baeten. “Alleen met respect, kennis en liefde voor het dier legt een taxidermist een ziel in zijn werk.”

‘Beestenmarchand’

Het is toch iets vreemd, een beestenmarchand. Ze komen het erf opgereden in mooie wagens en weten hun ‘waar’ goed te verkopen. Het is te zeggen, eerst bezit de boer ‘het waar’, in het beste geval koopt de marchand het op, en vervolgens gaat de marchand met zijn ‘waar’ naar de beestenmarkt. Rijen aan rijen koeien staan met de billen bloot. Er zijn nummers en keurende blikken. Een ware vleeskeuring.

De marchand is opgereden. Na een hele poos gezwets over koetjes en kalfjes, tussendoor wat harde woorden die vallen, stapt hij ‘boos’ (of doet toch alsof)  de auto in om er dan uiteindelijk weer uit te kruipen. Het is precies een theaterstukje. En zo gaat het bijna altijd. Soms stapt hij de wagen in, rijdt een eindje (om de indruk te wekken dat hij vertrekt) stopt vervolgens opnieuw (na twee meter) en keert  (rijdt terug).

Het gesprek krijgt dan een vervolg. Of dat half uurtje langer onderhandelen veel uithaalt, is nog maar de vraag. Maar het gesprek is tenminste niet zo abrupt stopgezet, als zou hij zijn doorgereden. Ze onderhandelen niet over welk beest het zal worden, maar over de prijs. Menigmaal gaat het dan om een 25 euro die te weinig voor de boer is en teveel voor voor de marchand. Zo is het ook weer vandaag. Het is een harde wereld, een wereld van winnen en verliezen.

Het is een spel maar ook bittere ernst. Ze hebben elkaar nodig en op een bepaalde manier ‘zien’ ze elkaar graag. De boer en de oudere marchand. Dikwijls wordt er gevloekt en komen oude koeien uit de gracht. Ze kennen elkaar goed. Ze kennen elkaars grillen en willen door en door. Tactiek, daar draait het om. Verkoopt de boer zijn dieren onder de prijs of geeft hij te vlug toe, dan zal het moeilijk worden zijn dieren ooit  voor hun prijs te verkopen.

De marchand is reeds in de tachtig. Hij komt al jaren bij de boer, een ‘keuterboertje’, die goede ‘beesten’ kweekt.  De veehandelaar heeft altijd die zwarte schort om, botten boven de donkere broek en een wit overhemd, zichtbaar onder de schort. Hij piept een beetje als hij praat, maar weet het spel bijzonder goed te spelen.

De boer draagt, in deze tijd van het jaar, altijd een rood hoedje met ‘Reyniers en co’ erop, zo ééntje dat je gratis krijgt bij één of andere zak voeder. Zijn blauwe overal lijkt twee maten te groot, getrokken boven een dikke laag pullen en een lange wollen onderbroek, met daarboven een dikke  broek.  In zijn gezicht zijn menig rode adertjes te bespeuren. Ze zijn als de takken van de bomen, fijn getrokken met een roodharig penseel.

In open veld is het veel kouder dan tussen de huizen van stad of dorp. Het is er al even winter. Vandaag staat de wind fel, speelt met de gaten en kieren en maakt het des te kouder. Binnen wordt het er alleen maar gezelliger op.

Gisteren stond de marchand nog op het erf, nu hangt hij aan de telefoon. De prijzen voor de kalveren staan redelijk hoog, weet de boer. Het zal dus nog gaan knellen, weet de ander. Het zijn twee koppigaards. Toegevingen doen is voor hen beiden vrij moeilijk. Het gaat dan ook geen schot vooruit. Soms is er twee euro gewonnen en zijn we drie dagen verder. Allebei een beetje toegeven, is allebei iets winnen. Toch blijft het altijd afwachten hoe het zal lopen. Worden ze het eens?

Vanavond niet.

Morgen misschien.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.