Grauw en bleek. Het werkvolk op de trein is uitgemergeld. Hun huid doorschijnend en verschrompeld, doortrokken van de vuiligheid. De mannen lijken op elkaar en herbergen dezelfde verhalen. In de hal van het station slaat de klok zeven. De trein richting Oostende vertrekt. Man en vrouw huilen om wat komt en tegelijk niet meer is. Een verloren strijd die nog niet is gestreden. ‘In de bocht naar huis zag ik mijn moeder en riep: “Ik ben het!”, maar ze herkende me niet.’
Met zijn 95 jaar kunnen de rimpels en groeven in zijn gelaat nog altijd niet tippen aan de diepte en kwetsbaarheid van zijn verhaal. Vooral zijn ogen spreken en herbergen licht en donkerte. Over de meest pijnlijke herinneringen gaat hij vluchtig heen, maar de kleine menselijke dingen puurt hij uit tot in de fijnste details. Het is alsof de geluiden in het rusthuis zijn verhaal over de ergste maanden van zijn leven begeleiden. De televisie van zijn buurman klinkt als droevige muziek door de dikke muur heen en voetstappen van verpleegsters op de gang zwellen aan en verstommen dan weer.
‘Buiten op het erf stond een grote, met water gevulde melkkruik. Zonder iets te eten werden we met een dertigtal in een geblindeerde bus geduwd. Waar ze ons heen brachten, wisten we niet. Door de ramen zagen we geen steek. Om kwart over drie in de ochtend, in een kleine gemeente vlak bij een huis dat ooit een restaurant was, kwam de bus tot stilstand. We mochten er een paar uur slapen. Het was negen uur toen de Duitse wachten ons naar buiten leidden en ons in rijen opstelden. De zon weerkaatste fel op de witte muur en zweetdruppeltjes parelden op lijf en leden. Verzwakt van de reis en de honger konden we nog nauwelijks rechtop staan. Van overal uit de streek kwamen boeren die ons keurden en kochten als beesten. De grote en sterke jongens gingen eerst, ik en een boerenzoon uit Aarsele gingen als laatsten. We waren allebei niet groot van gestalte, maar onze schaduwen waren gevaarlijk lang en bleven in hun volharding het langst afgetekend op de witgekalkte muur. Toen iedereen al vertrokken was, kwam een boer op zijn sjees aangereden. Hij foeterde en kafferde de soldaten uit en riep dat ze te vlug verkocht hadden. Met ons was hij niets, zei hij. Er waren twee opties: ofwel nam de boer ons mee naar zijn boerderij, ofwel werden we teruggestuurd naar het kamp.’
‘We moesten onze kraag gladstrijken, ons hemd in onze broek steken en in de pas marcheren’
‘Alles begon in de lente van 1940 in Menen, een Vlaams dorp aan de Franse grens. Ik deed er mijn militaire dienst in een Franstalige compagnie, de klas van het jaar ’37. Drie soorten regimenten waren toen actief: ’37, ’38 en ’39. Ook de klas van ’40 werd opgeroepen, maar zij trokken naar Zuid-Frankrijk. Het was vrijdag 25 mei toen mijn kameraad gewond raakte door een mitrailleur. Ik probeerde hem in huis te slepen, maar onze compagnie was omsingeld. Duitsers. Ik moest me overgeven. We werden allemaal opgepakt en in groepen verdeeld. Begeleid door wachten gingen we met een man of twaalf een wei door en zo verder naar beneden. Bij een boerderij in een klein dorpje, waarvan ik me de naam niet meer herinner, hielden we halt. Twee wachten openden de twee zware deuren van de aanpalende schuur en dwongen ons naar binnen te gaan. De schuur was gevuld met hooi en stro en langs een ladder klommen we naar de hooizolder. De deuren bleven open.
‘Het moet een tijd later geweest zijn dat Duitse soldaten twee zwaargewonde Ardeense Jagers van het Franse regime, ook wel de cyclisten genoemd, voor de poort sleepten. Vrouwen in de boerderij keken door de gordijnen heen en konden hun tranen nauwelijks bedwingen. Een boer die de gewonden wat te drinken wilde brengen, kreeg van de officier een ferme schop in de zij. De hele nacht lagen de Franse soldaten buiten in het stof, op de harde ondergrond en ’s morgens vonden we hen dood. Te voet gingen we verder, onze gewonde kameraad nog steeds bij ons. Aan de grens, in Maastricht, was er controle van de gekwetsten en onze gewonde werd afgevoerd naar een hospitaal en later naar huis gestuurd. We marcheerden verder tot in het kleine dorpje Jabeek, gelegen aan de Nederlands-Duitse grens. De Duitsers vierden er feest, waarschijnlijk om de overwinning te vieren. We moesten onze kraag gladstrijken, ons hemd strak in onze broek steken en in de pas marcheren, vier man naast elkaar. Het volk in de tribune schreeuwde: “Whoo whooo!”. Langs de weg stonden kinderen van een jaar of tien, allemaal in uniform en met een dolk aan hun zij. Kinderen van de Hitlerjugend. Aan het station werden we op een trein geduwd met in elke wagon een zestig man. De deuren sloten achter ons. Door kleine raampjes, kiertjes bijna, konden we de lucht zien die gevuld was met zeppelins.’
Een met prikkeldraad ommuurde ‘gevangenis’
‘Hoe lang we precies reden, kan ik niet zeggen. Het was middag van de volgende dag toen we in het station van Bremervörde aankwamen. Daarna was het nog een goede tien kilometer stappen door bossen en veengebied tot in het kamp Sandbostel, afgesloten door prikkeldraad. Bij aankomst werden we uitgejouwd en begeleid door geluidsalvo’s als: “Awoooo!” en “Hang ze op!”. We werden geteld en in tenten verdeeld. De grond was ons matje om op te slapen. De eerste die ik in het kamp zag, was een ver familielid. “Wat doe jij hier?”, vroeg ik. “En jij?”, vroeg hij. “Het eten is hier vreselijk, je krijgt hier niet veel”, fluisterde hij. In mijn broekzak had ik nog een doosje pilchards zitten die ik onderweg had gestolen. Joost was zijn naam en hij bracht het gesloten blik naar de keuken. Met een glimlach en een geopend blik kwam hij terug. Het deksel van het blik had hij voorzichtig opgetild en schoongemaakt. We kraakten het vlijmscherpe metaal in tweeën en staken het in onze zakken.
‘Ons ontbijt bestond uit een Duits, vierkantig brood, dat verre van vers was en waar we met tien van aten. Eén man was verantwoordelijk voor het snijden en het verdelen van het brood. We kregen een boterham van een paar centimeter, met een beetje suiker of de nodige confituur erop. Op een dag sloop ik naar de keuken en keek rond of ik niemand zag. Een man uit Polen kwam met een lege emmer naar buiten. Ik fluisterde: “co zrobic tu ty?” (“Wat doe jij hier?”). Hij keek om en ik vroeg: “masz kanapkę?” (“Heb je een boterham ?”). “Tak”, zei de man en wees naar het oude horloge aan mijn hemd. Ik had het ooit van mijn broer gekregen en ruilde het nu voor twee boterhammen. Een andere keer stal ik oude vis uit een emmer, die we tussen twee tenten in opaten. Het was allemaal zand, maar we hadden tenminste gegeten.
‘En dan waren er nog de vele onderzoeken die we elke dag moesten ondergaan. Ons haar werd afgeschoren, er werd gekeken of we luizen hadden en Franse krijgsgevangenen werden gedwongen ons injecties te geven. Er was een dag dat ik er drie in een keer kreeg: één net boven de borst, één er net onder en één in de rug. Niemand wist waarom we ze kregen en wat de gevolgen ervan waren.’
‘Was kann der verfluchten Belgier?’
‘Op een dag, na ongeveer vier weken in het kamp, werden we zonder eten meegevoerd in een geblindeerde bus. Bij een hofstee met voormalig restaurant werden we afgezet. Boeren zouden ons komen halen om op het land te werken. Ik en nog een andere jongeman bleven als enigen achter. “Was kann der verfluchten Belgier?”, riep een boer die te laat kwam. Een zin die we nog meermaals zouden horen, want hij was het die ons uiteindelijk meenam. Hij reed op zijn sjees, wij volgden hem te voet en dat zes kilometer lang. We hadden al dagen niets meer gegeten maar ook bij aankomst kregen we niets. Onmiddellijk werden we aan het werk gezet. Hagen snoeien, de stallen uitmesten, de kalveren voederen, het hooi opbinden, de kolen afsnijden. ’s Avonds moesten we dezelfde zes kilometer terug afleggen, naar het huis van dat restaurant. We werden er bewaakt door vier wachten. Elke dag opnieuw moesten we aufstehen om 3u15, werden we naar de wei geleid waar we ons konden wassen aan een drinkbak van de koeien en marcheerden we in een lange rij naar de boerderij. Wie aan zijn erf kwam, mocht afslaan. Passeerden we mensen dan mochten we hen niet groeten.
‘Op een van onze tochten, op weg naar de boerderij, keek een vrouw uit het raam. Een van ons, zijn naam was Coppens, keek naar de vrouw en lachte. Een Duitser zag dat alles gebeuren en ondervroeg de jonge vrouw. “Ik keek naar die floche”, zei de vrouw. Na dit voorval moesten alle flochen van onze mutsen verwijderd worden. Het Verdrag van Genève zegt nochtans dat uniformen van gevangen militairen niet geschonden mogen worden door de vijand. We stonden in vier rijen, twee aan twee. De Feldwebel was dronken en trok onze flochen er één voor één af. Toen hij voor me stond, zei ik “godverdomme”, pakte mijn muts en trok de magnifieke floche er zelf af. Ik kreeg een harde klap in het gezicht, was zo kwaad en vernederd dat ik bijna op de Feldwebel sprong. De man achter me, een infirmier uit Izegem, kon me tegenhouden. Chance.
‘In gedachten verzonken, zag ik de boerin niet binnenkomen. De tranen kwamen in mijn ogen als ik aan vrouw en kind dacht. Ik had nog niets van hen gehoord. De boerin werd kwaad en riep dat ik niet te klagen had en bij hen nog goed af was. Het was oktober toen ik van mijn vrouw eindelijk een pakje kreeg, weliswaar al geopend en van zijn meeste inhoud ontdaan, maar het was toch iets. Achteraf heb ik van mijn vrouw vernomen dat er een foto in zat van ons kindje, een foto die ik nooit te zien zou krijgen. Met een stompje potlood schreef ik lieve woorden neer. Geen klaagzang maar wel zinnen als: “Het is hier goed, we werken op een mooie boerderij en er zitten veel paarden.” Allemaal leugens. Bovendien werden onze brieven gecensureerd. Later zei mijn vrouw dikwijls: “Dacht je nu echt dat ik niet zag dat je aan het liegen was?”’
‘Ik woog nog amper vijftig kilo’
‘Het werd winter. Onze sokken waren al lang versleten en van de mouwen van een oude trui, ooit gestolen van de boerin, maakte ik nieuwe. We waren al verscheidene keren op een bus gezet met het voorwendsel huiswaarts te keren, maar telkens opnieuw was er weer die boerderij. Tot de dag dat we niet moesten werken en een bus ons kwam halen. Geen boerderij dit keer, wel opnieuw het gruwelijke kamp Sandbostel. Opnieuw die vreselijke onderzoeken, opnieuw die vernederende commando’s en de met prikkeldraad ommuurde gevangenis.
‘We waren vier weken in het kamp toen het gerucht de ronde deed dat we naar huis zouden vertrekken. De bussen stonden klaar. Een Belgisch verpleger, een katholiek priester met een rood kruisje op zijn borstzak gestikt, nodigde ons uit om de mis bij te wonen. Het was al zo lang geleden dat we dat nog eens mochten. “Ik ga niet”, fluisterde ik tegen mijn kameraad. “Straks mis ik nog de bus naar huis.” En het kwaad geschiedde. Toen we in de bus geloodst werden, zaten de anderen nog in de barakken de mis bij te wonen. De bus vertrok en zij die achterbleven, zouden daar nog twee maanden blijven.
‘We kwamen aan in Antwerpen, na een dag of twee rijden met de trein. Wie niet naar huis kon, werd opgepikt en naar een ziekenhuis gebracht in de buurt. Ik kreeg er een goede nacht. Om zeven uur ’s morgens kon ik de trein nemen naar Oostende. Die zat vol met werkvolk, mannen zoals ik. Mensen weenden toen ze ons zagen. We waren vuil en mager, ik woog nog amper vijftig kilo. Ik haalde de fiets van mijn zus om niet meer te hoeven wachten op de trein. Mijn moeder had horen zeggen dat er krijgsgevangenen zaten op de trein naar Gistel en wilde net gaan kijken toen ik de bocht nam naar ons huis. Ik riep: “Moeder, ik ben het!”, maar ze herkende me niet. Ik trok aan haar jas en zei: “Kijk nog eens goed.” Ze weende.’